Shotokan karate - de geschiedenis

Gichin Funakoshi

Gichin Funakoshi werd geboren in Shuri, een dorp in Okinawa, een eiland bij Japan, in het jaar 1868. Toen hij nog erg jong was, werd hij al getraind door twee beroemde meesters uit die tijd. Elk van de twee leidde hem op in een andere vechtkunst uit Okinawa. Van de eerste, Yatasune Azato, leerde hij Shuri-te, dat Shuri-vuist betekent. Yatsune Itosu, de tweede, trainde hem in Naha-te, Naha-vuist. Na lange tijd zou het de menging van deze twee kunsten zijn, die Funakoshi tot karate smeedde.

Gichin Funakoshi, in de Japanse traditie Funakoshi-sensei (meester Funakoshi) geheten, was de man die later, in 1917, het karate in Japan zou introduceren. In dat jaar werd hij gevraagd om zijn nieuwe gevechtskunsten ten toon te spreiden op een grote organisatie van het Ministerie van Opvoeding. Het was een lichamelijke uitputtingsslag. In 1922 werd een ander evenement gehouden, en men was nog steeds zo enthousiast over sensei Funakoshi, dat men hem opnieuw vroeg om de karate te demonstreren. Er kwam nog een derde demonstratie, maar deze was wel zeer speciaal omdat Funakoshi-sensei het voorrecht kreeg om zijn kunst te demonstreren in privé, voor de keizer en de keizerlijke familie. Deze was stomverbaasd over de combinatie van eenvoud, enorme effectiviteit en schoonheid, dat hij sensei Funakoshi bijna smeekte om in Japan te blijven, daar hij nog in Okinawa woonde. Na veel overpeinzen stemde deze toe. Hij kreeg een royale vergoeding, een huis, personeel en zo meer, maar weigerde dit alles. Hij wilde alleen een hut, een grote zaal en een tempel vlakbij. Daar onderwees hij anderen het Karate, en reisde vaak door Japan om zijn kunst te promoten.

Geografische geschiedenis 

Dit gedeelte behandelt de geografische geschiedenis van het karate, en dan in het bijzonder het Shotokan karate, de oorspronkelijke, traditionele stijl. Even beknopt: het begint allemaal in China, en over Okinawa dringt het door tot Japan, waar het zijn uiteindelijke vorm kreeg en vanwaar het zijn naambekendheid kreeg. Om echter niet op de zaken vooruit te lopen beginnen we best bij China.

China

Het grote probleem met geschiedenis uit die tijd is dat er geen geschreven bronnen over bestaan. Voor dit deel van de karategeschiedenis moeten we dus afgaan op wat er via legendes en mondelinge overlevering door is gedrongen. De eerste belangrijke figuur is een Indische boeddhistische monnik, waarvan de naam niet zeker is. De ene legende spreekt over Daruma, terwijl anderen dan weer de naam Bodhidharma vernoemen, de laatste naam zal verder in dit werk worden gebruikt daar het in shotokan zo goed als vast staat dat hij zo heette. Hoe dan ook, zo'n 1400 jaar geleden verliet hij zijn moederland Indië om het boeddhisme te verkondigen. Een van de plaatsen waar hij heenging was China. Daar baande hij zichzelf een weg naar de belangrijkste Shaolin Tempel (een exacte locatie was niet vast te stellen) om er te gaan lesgeven. De monniken die daar leefden waren de best getrainde mannen van China, en hij wilde hen helpen met het verder ontwikkelen van hun vechtkunsten. Wanneer hij begon les te geven, stak één probleem de kop op. De monniken verloren het bewustzijn omwille van de ongelooflijke krachtvereiste en intensiteit van zijn trainingmethodes.

Er moest dus een andere manier zijn om de monniken in (nog) betere vorm te krijgen, en Bodhidharma besloot hen een nieuwe manier van conditietraining te laten zien dan de standaardmethodes zoals lopen, heffen enz… De oefeningen die hij hun liet zien, zijn te vinden in de Ekkin Sutra, een boeddhistisch werk met allerlei trainingsmethodes. Toen de monniken eenmaal deze oefeningen hadden getraind en volledig geperfectioneerd hadden, kregen ze de reputatie die nu nog geldt: zij zijn in staat dingen te doen waar een normaal mens nog niet aan zou denken, en dat allemaal door de oefeningen van Bodhidharma. Die oefeningen zouden later bekend worden als Shorin-ji Kempo en de eerste voorouders van karate worden. Weer is er geen geschreven bron over wat wanneer gebeurde, maar er wordt algemeen aangenomen dat door de vele promotiedemonstraties de martiale kunsten hun weg vonden doorheen heel China. En toen de Chinezen eindelijk contact maakten met vreemde culturen, droegen zij hun kunsten over aan deze mensen. Een van die culturen, waren de Okinawanen.

Okinawa

Toen de Chinezen contact maakten met Okinawa (een vrij groot eiland onder Japan, hoort staatkundig bij Japan, maar lijkt zich in vele opzichten van het Japanse eiland te onderscheiden), begonnen ook daar de gevechtssporten succes te kennen. Men gelooft dat bij de handel die Okinawa intensief dreef met het vasteland, ook de gevechtskunsten binnensijpelden en groeiden. Ze waren er zo populair dat elk kind twee dingen leerde: handel drijven en gevechtssporten. Vijfhonderd jaar later, in 1470 waren de gevechtskunsten van Okinawa zelfs zo bekend en berucht dat de mensen die er woonden geen wapens meer mochten dragen. Nog tweehonderd jaar later (1609) werd Okinawa door Japan aangevallen en veroverd, en stuurden de Japanners een legerafdeling naar Okinawa om daar alle nog aanwezige wapens in beslag te nemen. Bij de verovering van hun eiland had de bevolking geen gebruik gemaakt van hun kunsten, daar zij vredelievend waren en alleen in nood vochten. De binnenlevering van de wapens vonden ze dan ook geen probleem.

De meesters van Okinawa waren echter vrij inventief en ontworpen een nieuwe martiale kunst, waarbij geen enkel wapen van toepassing was, en ze verspreidden die nieuwe technieken over heel het eiland. Om de Japanners te laten zien dat zij nog steeds met gevechtskunsten bezig waren, noemden ze het overduidelijk Okinawa-te, hetgeen betekent: de Vuist van Okinawa. De Japanners wilden niet nog meer problemen krijgen en Okinawa-Te werd algemeen aanvaard als zelfverdediging. Er wordt ook verteld dat, ongeveer tweehonderd jaar geleden, een man uit Akata in Okinawa, genaamd Sakugawa, naar China reisde. Toen hij terugkwam naar Okinawa was hij meester in de "Chinese Hand". Een andere naam die in een legende opduikt, is die van de Chinees Ku Shanku die honderdvijftig jaar geleden naar Okinawa kwam om daar met enkele van zijn discipelen te gaan onderrichten in de ondertussen in China overal bekende gevechtssporten. Andere Okinawanen werden onderwezen door Chinees legerpersoneel. Twee mannen, genaamd Matsumura en Gusukuma, werden naar het schijnt door een Zuiderse Chinees onderwezen, die aan de kust was aangespoeld, hoe of waarom is niet bekend. Deze twee, Matsumura en Gusukuma, waren de sensei’s van de meester Azato en Itosu, die Gichin Funakoshi zouden opleiden.

Gichin Funakoshi was een geëerd schoolmeester en dichter. Hij studeerde eerst onder Azato en Itosu in 1879. Van Azato leerde hij Shuri-Te (Shuri-vuist). De kunst die hij van Itosu leerde was Naha-Te (Naha-Vuist). In 1902 gaf hij de eerste formele privé-demonstratie van karate in de geschiedenis. Een jaar later introduceerde hij karate in het staatsschoolsysteem in de Heren Normaalschool en de Daiichi Middelbare School. 

In 1906 gaf hij in Okinawa de eerste openbare karatedemonstratie en zes jaar later, in 1912, werd karate opgenomen in de opleiding van de Keizerlijke Zeemacht. In 1914 gaf Funakoshi-sensei demonstraties en les in heel Okinawa en in 1917 was het karate klaar om Japan binnen te dringen.

Japan

Funakoshi had dus al heel wat moeite gestoken in het promoten van zijn kunst in zijn moederland, Okinawa. Uiteindelijk werd zijn naam ook in Japan bekend. Zoals eerder gezegd werd hij verscheidene keren gevraagd om demonstraties te geven en uiteindelijk vroeg de keizer hem om in Japan te blijven. Later, in 1923, werd Funakoshi benaderd door Jigaro Kano, de stichter van het Judo. Hij verleende hem een tijdlang onderdak in ruil voor het aanleren van een paar basistechnieken, vooral worpen en klemmingen die later in het Judo uitgewerkt en geperfectioneerd werden.

Na een tijd wilde Funakoshi-sensei terugkeren naar zijn thuisbasis om zich daar weer te wijden aan het verder ontwikkelen van zijn kunst. Toen hij bekend maakte dat hij ging vertrekken, kreeg hij bezoek van de schilder Hoan Kosugi. Omdat Kosugi en de andere leden van zijn kunstgroep wel rijk waren, maar zich niet konden verdedigen, vroegen zij om lessen. Dus de goedhartige en edele Funakoshi stelde zijn terugkeer uit en begon met georganiseerde training van de Tabata Poplar Club. Terwijl hij daar les gaf (wat nog niet zo makkelijk was omdat de kunstenaars aanvankelijk weigerden elkaar aan te vallen), kwam hij tot de ontdekking dat dit zijn roeping was. Hij besloot dan ook dat hij de rest van zijn leven in Japan zou blijven lesgeven. Hij zou zijn jonge martiale kunst naambekendheid geven en ze aanleren aan wie het maar wilde.

In Japan schreef Funakoshi het eerste boek ooit over Karate "Ryokyu Kempo: Karate". Het boek werd ontworpen en ingetekend door Hoan Kosugi, de eerder genoemde schilder. Van hem zegt men ook dat hij het symbool van Shotokan, de tijger, heeft ontworpen. Vier jaar later werd het boek opnieuw uitgebracht onder de titel "Renten Goshin Karate-jitsu". In 1935 werd het eerste boek geschreven dat over Karate puur als technieksport ging, genaamd "Karate-do Kyohan", vrij te vertalen als "De Manier van de Lege Hand: Leerschool".

Funakoshi bleek onvermoeibaar, want er ging op de nacht na geen uur voorbij dat hij niet aan Karate besteedde. Weer werd hij gevraagd om voor de koninklijke familie op te treden. Funakoshi-sensei beschouwde dit feit alleen al als een ongelooflijke eer, maar het werd nog beter toen hij hoorde dat hij de demonstratie binnen de muren van het keizerlijke paleis mocht geven!

De populariteit van karate bleef maar groeien, zowel in Okinawa als in Japan, waar karate clubs overal als paddestoelen uit de grond schoten. Vooral op hogescholen en universiteiten waren ze talrijk. De hele tijd hield Funakoshi-sensei een kleine dojo bij de Meisei Juku. Echter, het verval dat de loop van de tijd met zich meebracht en de zware aardbeving in 1923 creëerden de nood aan een nieuwe trainingsplaats. Hiromichi Nakayama bood hem de kans om zijn lessen voort te zetten in zijn kendo-dojo. Een tijdje later viel Funakoshi nog een andere en grotere eer te beurt. In heel Japan, in Okinawa en zelfs in China sloegen karate-liefhebbers de handen financieel in elkaar en betaalden de bouw van een nieuwe dojo, opgedragen aan de karate-lessen van Funakoshi. In 1936 werd de Shotokan geboren. Ondertussen hadden zich al andere stijlen ontwikkeld, die ook meer en meer succes begonnen te kennen.

In 1957, op 88-jarige leeftijd, stierf Gichin Funakoshi. Hij had niet alleen het Shotokan karate gemaakt, hij had het ook nog aan velen geleerd en had er boeken over geschreven. Zijn handwerken over zijn kunst zijn een passende nalatenschap voor een edele man. Men bouwde voor hem een gedenkmonument in de Enkaku-ji tempel in Kamakura in 1968. De tekens rechts zijn van de meester, die links zijn gemaakt door Asahina Sogen, de hoofdpriester van de tempel en betekenen: "Karate ni sente nashi", "er is geen eerste aanval in Karate".

Satoshi Miyazaki Sensei

Satoshi MIYAZAKI sensei, 8 ste DAN JKA, leerling van Masatoshi NAKAYAMA sensei, deed zijn intrede als hoofdinstructeur voor België in 1967. Zijn leven was aan karate gewijd. Als geen ander wist hij de liefde voor deze Japanse krijgskunst aan zijn leerlingen over te dragen. Hij vormde hierbij niet enkel hun lichaam, maar ook hun geest. Op ondoorgrondelijke wijze, door een blik,  een gebaar, een woord, heeft hij velen geholpen bij het zoeken naar hun levensweg.

Sensei Sergio Gneo

In 1993, na de dood van Miyazaki sensei, werd de fakkel overgedragen aan zijn leerling Sergio GNEO sensei, 7de DAN JKA,  zoals hij het zelf gewenst had. Sergio GNEO sensei werd als eerste niet-Japanner benoemd tot JKA technisch directeur van België en hoofdinstructeur van Belgian Amateur Karate Federation (B.A.K.F.). Hij wordt hierin bijgestaan door Kazuhiro SAWADA sensei, 7 de Dan JKA en nationaal instructeur en hoofdinstructeur in verschillende Europese lidstaten.